Lang over kort (10, Couperus II)

Ach, zo hoor je Couperus denken, hanteerde iedereen maar het penseel zoals onze schilders! Maar zo zit de wereld helaas niet elkaar. De schrijver heeft ook de zalen met moderne  Spaanse en Italiaanse doeken aangedaan en daar zijn hem de klompen uitgevallen. Welke stromingen daar vertegenwoordigd waren, vindt hij de moeite van het vermelden niet waard; een enkele vage zinspeling doet me denken aan  expressionisme, fauvisme en mogelijk futurisme.

Couperus: ‘Nu ik gegaan ben langs die geëxaspereerde zoekingen, langs die gele en blauwe effectjachten, langs die afschuwelijke naakte en halfnaakte groene dames op violette divans tegen okeren landschappen, langs die cauchemars van tanden-tonende Andalusische schonen, met belladonna-ogen, langs die vooral heftig helle, grillig grelle doeken — éen is er, waarop gehele tuben zijn uit-gedrukt, als om te willen bewijzen, dat verf geen geld kost, als je zóiets kostelijks maar weet op te roepen met uitgeperste tuben verf — dan waardeer ik… de voorname kwaliteiten van onze schilders: hun edele eerlijkheid, hun gedistingeerde oprechtheid, hun aristocratische minachting voor al dat kleurgeschreeuw van spinaziegroen, violet en oker…’

Maar wat bezielde die schilders? Waar zetten zij zich eigenlijk tegen af? Welke richting moest de beeldende kunst volgens hen inslaan? Hoe dachten zij dat te verwezenlijken? Dat vraagt Couperus zich geen moment af. Interesseert hem niet. Het zijn kladschilders, broddelaars en klodderaars. 

En zo kon de grote burgerman Louis Couperus soms als klein burgermannetje door de mand vallen.

Lang over kort (9, Couperus I)

Wie, zoals ondergetekende, Louis Couperus (1863-1923) voor een groot schrijver houdt, zal zich stellig wel eens ergeren aan zijn gezwollen taal. Anderzijds zullen degenen die zijn werk niet te pruimen vinden, moeten toegeven dat hij in onze letterkunde een unieke, ja, onvervangbare plaats inneemt. Hij was bij uitstek de tolk van de gegoede Nederlandse burgerij, met een zwaar accent op de Haagse ‘coteries’ en daarbinnen weer op de Indische.

Couperus heeft enorm veel geschreven: romans, gedichten en een onafzienbare hoeveelheid kronieken, reisimpressies, opstellen, korte verhalen, zedenschetsjes en wat hij ’causeries’ noemde (tegenwoordig zouden ze als ‘columns’ te boek staan.)

Ergens begin vorige eeuw (ik heb de datum niet kunnen achterhalen) liep in Rome, waar de auteur toen woonde, een spraakmakende schilderijententoonstelling en de redactie van de liberaal-progressieve, deftige krant ‘Het Vaderland’ (gevestigd in Den Haag, verschenen van 1869-1962) verzocht hem er een recensie aan te wijden. Daar had hij oren naar, want hij voelde zich in de kolommen van dit dagblad als een vis in het water.

Zijn stukje is opgenomen in deel VIII van het ‘Verzameld werk’ en herdrukt in de Salamander nr 155 ‘Couperus Verhalen’. Bijna komt hij woorden te kort om de lof te zingen van de Nederlandse exposanten: Bosboom, Mauve, Breitner, Van Soest, Bauer, Blommers, Van Assen, Zilcken, Bosch, Wiggers, Thérèse Schwartze, Coerts, Luns… Hij laat niet de kans schieten enkele Duitsers en Engelsen opmerkzaam te maken op het ‘voorname, elegante portret, waar onze Koningin zich vertoont fier en glimlachend, hoog en toch beminnelijk, in de fijne weelderigheid van satijn, kant en paarlen’ en zij vinden dit doek wat chic!

‘Ik geef hun volkomen gelijk: het is een ‘chic’ portret en ik ben heel blij, dat het dit is… Want waarom zou de Hollander, die ik toch altijd nog ben, niet trots mogen zijn, dat Thérèse Schwartze een ‘chic’ portret heeft geschilderd van onze fier-hoge en toch beminnelijk glimlachende vorstin?’ (O zo, wij kunnen wel een klein polderlandje achter de duinen zijn, aanslibsel van de Franse rivieren, maar als het op schilderen aankomt, gaan wij voor niemand opzij; voor niemand, hoort gij dat?)

(wordt vervolgd)

Verboden te bedelen

Een ei hoort erbij

Pas op de hond!

Baasje: ‘Fikkie doet niks, hoor!’

Pramoedya Ananta Toer, een rasverteller

Telkens wanneer mijn fysiotherapeut Bert weer wat heeft gespaard, trakteert hij zijn vrouw en zichzelf op een reis naar Indonesië. Hij is daar als het ware niet weg te slaan, ofschoon hij bij mijn weten geen enkele bloedband heeft met het land.

Ik begrijp Bert. Ik heb namelijk aardig wat romans over het oude Nederlands-Indië gelezen: van Multatuli natuurlijk (ik houd ‘Max Havelaar’ voor de absolute top van onze bellettrie), van Beb Vuyk, Maria Dermoût, Madelon Székely-Lulofs, Hella Haasse, Eduard du Perron, P.A. Daum, E. Breton de Nijs, H.J. Friedericy. Maar dat zijn allemaal ‘totoks’ (blanken) of Indo’s (halfbloeden.) Zojuist heb ik voor het eerst een boek gelezen van een inlandse auteur, de Javaan Pramoedya Ananta Toer, de ‘grand old man’ van de Indonesische letterkunde. Ik heb het over ‘Aarde der mensen’, het eerste deel van een tetralogie over het koloniale bewind en de opkomst van de onafhankelijkheidsbeweging in de ‘Gordel van smaragd’.

Toer werd in 1925 geboren als eersteling in een onderwijzersgezin. Tijdens de oorlog verdiende hij zijn brood als stenograaf op een Japans persbureau. In 1947, tijdens de zogenaamde eerste politionele actie, werd hij bij het uitdelen van vlugschriften door Nederlandse militairen opgepakt, waarna hij zonder vorm van proces twee jaar gevangen werd gezet. Zijn scherpe pen en inzet voor linkse idealen brachten hem in conflict met de nieuwe machtshebbers: Soeharto sloot hem, ook zonder vorm van proces, veertien jaar op, van 1965 tot 1979, op het eiland Boeroe in de Molukken. Toer mocht daar zelfs niet over schrijfmateriaal beschikken: ‘Aarde der mensen’ dicteerde hij in de loop van 1973 aan bezoekers, die de tekst in de vorm van kattenbelletjes de gevangenis uit smokkelden; het boek werd twee jaar later uitgetypt en verscheen in Maleisië.

Toer heeft ongeveer 40 werken op zijn naam staan. Hij is in 20 talen vertaald. Verschillende keren werd hij gedoodverfd als laureaat van de Nobelprijs, maar dat is er nooit van gekomen. Onbegrijpelijk; hij had het tien maal meer verdiend dan bijvoorbeeld de saaie Egyptenaar Naguib Mahfouz, de winnaar van 1988.

Over ‘Aarde der mensen’ kan ik kort zijn: het is een kostelijk werk van een rasverteller. Gelukkig heb ik al deel 2 van de tetralogie, ‘Kind van alle volken’. Nu op zoek naar de delen 3 en 4: ‘Het glazen huis’ en ‘Voetsporen’.